Selecteer een pagina

Een pluimveebedrijf heeft op grond van de Wet Milieubeheer een vergunning van de gemeente verkregen, maar uiteindelijk is deze vergunning door de Raad van State vernietigd, daarna heeft de pluimveehouder een nieuwe vergunning van de gemeente verkregen, maar deze is vervolgens door de Raad van State ook vernietigd en vervolgens heeft de Raad van State besloten, om een vergunning te weigeren.

Naburige eigenaren van een recreatiewoning op een villapark eisen voor de Rechtbank betaling van schadevergoeding wegens onrechtmatig toegebrachte stankhinder.
Deze vordering is grotendeels door de Rechtbank toegewezen. In hoger beroep heeft het Gerechtshof deze uitspraak in grote lijnen bekrachtigd.

Waar het om gaat is, dat de Hoge Raad onder meer heeft overwogen, dat het hebben van een vergunning niet zonder meer bepalend is voor het antwoord op de vraag of jegens een bepaalde derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder. Het al dan niet aanwezig zijn van onrechtmatige hinder kan gebaseerd worden op een rapport, waarin het feitelijk geurniveau was berekend naar objectieve maatstaven en volgens recente inzichten.

Zie Hoge Raad 16 juni 2017 (ECLI:NL:PHR:2017:227).