Selecteer een pagina

EIGENAAR AANSPRAKELIJK VOOR BODEMVERVUILING?

Het college van de gemeente heeft een controle van de bodem op twee percelen uitgevoerd.

Deze percelen zijn eigendom van de stichting.

Naar aanleiding van een mogelijke overtreding van artikel 13 van de wet bodembescherming is in opdracht van het college een indicatief bodemonderzoek verricht op één van de twee percelen. In de bodem van dit perceel is in de zogenaamde ophooglaag een sterk opgehoogd loodgehalte gemeten.

 

Het college vindt:

  • Dat dit is veroorzaakt door bodemvreemde stoffen (waaronder menggranulaat) in de ophooglaag.
  • Bij het ophogen zijn niet alle redelijkerwijs te treffen maatregelen genomen om verontreiniging van de bodem te voorkomen.
  • Nagelaten is om maatregelen te treffen om verontreiniging van de bodem ongedaan te maken of de gevolgen daarvan te beperken.
  • De stichting is daarvoor verantwoordelijk en is daarom overtreder van artikel 13 van de Wet bodembescherming, zij is eigenaar van de grond.
  • Het college heeft een zogenaamde last onder dwangsom als bestuursdwang opgelegd. Die last bestaat uit een nader onderzoek door een gecertificeerd adviesbureau, waarbij de verontreiniging ter plaatse van de aangetroffen sterk verhoogde gehalten aan lood horizontaal en verticaal in beeld wordt gebracht.
  • De kosten van de bestuursdwang dienen door de stichting te worden betaald.

 

De stichting vindt:

  • Dat het indicatief bodemonderzoek is onder valse voorwendselen is uitgevoerd.
  • Het rapport over dit onderzoek geeft een vertekend beeld: er is een enkel een mengmonster gebruikt.
  • Mocht er toch een verhoogd gehalte lood in de bodem aanwezig zijn, dan kan dit zijn veroorzaakt door bemesting in plaats van door het ophogen van het perceel.
  • Bij het ophogen van de bodem van het perceel is zorg besteed aan de keuze van de toegepaste stoffen en aan de leveranciers daarvan, die allemaal gecertificeerd en gerenommeerd zijn.
  • De Stichting is bovendien niet verantwoordelijk voor de verontreiniging van de bodem, omdat zij geen opdracht tot verhoging van de bodem heeft gegeven.
  • Het college van B & W had reeds tijdens het ophogen moeten optreden.
  • De opgelegde last onder bestuursdwang is prematuur, willekeurig en onzorgvuldig is en dit brengt ten onrechte kosten voor de stichting met zich mee.

 

De Raad van State vindt:

  • Dat het indicatief bodemonderzoek niet onder valse voorwendselen is gedaan, ofwel er is geen sprake van machtsmisbruik door het college.
  • Als er een controle door het college wordt gedaan op naleving van het bestemmingsplan kan er tijdens de controle aangetroffen situatie aanleiding zijn om onderzoek te laten doen naar mogelijke overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming.
  • Enkel gebruik van een door het onderzoeksbureau genomen mengmonster uit de bodem kan niet tot het oordeel leiden, dat de ophooglaag daarom NIET een verhoogd gehalte aan lood zou kunnen bevatten.
  • Vaststaat, dat er een aantal jaren bodemvreemde stoffen (zoals menggranulaat) zijn toegepast voor het ophogen van het perceel, je kunt ervan uitgaan, dat dit het verhoogde gehalte aan lood heeft veroorzaakt.
  • Bemesting als oorzaak is niet door de Stichting aannemelijk gemaakt.
  • Toepassen van menggranulaat voor het ophogen van het perceel is een handeling, waarvan degene die deze handeling heeft verricht redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat daardoor de bodem kon worden verontreinigd met lood.
  • Er zijn geen verklaringen of certificaten van leveranciers van menggranulaat, waaruit blijkt, dat deze stoffen geen lood konden bevatten.
  • Er zijn geen maatregelen getroffen om verontreiniging van de bodem te voorkomen, daarom is de zorgplicht, zoals opgenomen in artikel 13 van de Wet bodembescherming geschonden.
  • De stichting is daarvoor verantwoordelijk: zij was eigenaar tijdens het ophogen, zij wist toen van het ophogen van het perceel en dit kan haar daarom worden toegerekend.
  • Het is niet van belang, dat de stichting niet opdracht voor het ophogen heeft gegeven, ofwel de facturen voor geleverde stoffen niet aan haar zijn gericht.
  • Artikel 13 van de wet bodembescherming is daarom overtreden, daarom is handhaving door het college mogelijk.
  • De zogenaamde last onder bestuursdwang, in dit geval een nader bodemonderzoek, is nodig, om te kunnen bepalen welke maatregelen kunnen worden genomen om verontreiniging te beperken, cq. ongedaan te maken.

Van een premature, willekeurige of onzorgvuldige last is geen sprake.

  • Dat niet eerder door het college is opgetreden, betekent niet, dat niet meer door het college kan worden gehandhaafd wegens overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming.
  • Het feit, dat de Stichting de kosten van de last onder bestuursdwang dient te dragen is geen bijzondere omstandigheid, die maakt, dat het college van het opleggen van de last of van het verhalen van de kosten van bestuursdwang op de stichting had moeten afzien.

 

Zie ECLI:NL:RVS:2017:2962 (Raad van State, 1 november 2017).

 

MIJN COMMENTAAR/UITLEG OP UITSPRAAK VAN DE RAAD VAN STATE:

Het college van de gemeente mag dus een bodemonderzoek laten uitvoeren, al heeft de aanleiding daartoe niets met eventuele bodemvervuiling te maken, zolang er geen valse voorwendselen zijn aangewend of zolang er geen sprake is van machtsmisbruik.

Dat zal niet gauw het geval zijn, als het college haar bevoegdheid tot controle hanteert op basis van een wettelijke bepaling en daarbij haar reden van haar controle kan aangeven.

Als het college daarbij haar boekje niet te buiten gaat, opent haar controle dus de weg naar een door een deskundig bureau te houden onderzoek naar overtreding van bijvoorbeeld de Wet bodembescherming. Een mengmonster maakt het dus volgens de Raad mogelijk om een verhoogd gehalte aan lood in de bodem te kunnen constateren.

De vervuiling van de bodem (verhoogde gehalte aan lood) kan zijn veroorzaakt door het jarenlang verwerken van bodemvreemde stoffen (zoals menggranulaat), daar kun je volgens de Raad vanuit gaan.

Als je menggranulaat voor ophoging van de bodem gebruikt, kun je dus volgens de Raad bij voorbaat vermoeden, dat daardoor de bodem kon worden verontreinigd met lood.

Het lijkt erop, dat de Raad dit vindt, omdat zij immers heeft gesteld, dat menggranulaat een bodemvreemde stof is en jarenlang is toegepast.

Zou dit dan voor alle bodemvreemde stoffen moeten gelden? Dat wordt niet duidelijk.

Welke zijn bodemvreemde stoffen?

De Raad stelt, dat het voorkomen van verontreiniging een zorgplicht van de verantwoordelijke (in dit geval de eigenaar) met zich meebrengt, het gaat dan om het nemen van maatregelen, er is dus nog redding mogelijk na het aanbrengen van granulaat.

De Raad toetst vervolgens, welke invulling van de last onder bestuursdwang voor de hand ligt: wat is nodig, in dit geval een nader bodemonderzoek . Het college doorstaat deze toets volgens de uitspraak glansrijk en het gevolg is, dat de eigenaar de kosten van het nader bodemonderzoek dient te dragen.